Wat een beveiliger wel en niet mag bij het weigeren of verwijderen van personen
- mvandorst9
- 24 hours ago
- 4 min read

"Je mag me niet aanraken" klinkt stellig richting een beveiliger. In de praktijk ligt dat alleen genuanceerder. In Nederland ligt het geweldsmonopolie weliswaar bij de overheid. Dat betekent niet dat een beveiliger machteloos hoeft toe te kijken als iemand weigert te vertrekken. Als de politie in zulke situaties altijd moet worden ingeschakeld, zou in de praktijk vaak geen beveiliging meer nodig zijn. De politie kan daar simpelweg niet steeds voor komen opdagen. Een beveiliger mag dan ook wel degelijk meer dan alleen vragen. Maar op welke grond treden zij op en waar ligt de grens?
Het beschikkingsrecht
De handelingsruimte van een beveiliger komt niet voort uit een geweldsbevoegdheid, maar uit het beschikkingsrecht. Een beveiliger handelt niet op eigen gezag, maar treedt op namens degene die het beschikkingsrecht heeft over een locatie. Dat recht vloeit voort uit eigendom of gebruik. Het rust bijvoorbeeld bij een pandeigenaar, huurder of exploitant. Op basis van dat beschikkingsrecht kan een beveiliger:
personen toelaten of weigeren;
voorwaarden stellen aan toegang, zoals huisregels/bezoekersvoorwaarden;
toezicht houden op naleving van die regels/voorwaarden;
bezoekers sommeren om de locatie te verlaten.
Voorwaarde is dat die regels kenbaar worden gemaakt, redelijk worden toegepast en niet willekeurig of discriminerend zijn. De regels mogen niet worden afgedwongen of als sanctie worden ingezet. Zij gelden enkel als voorwaarde voor toegang en verblijf.
Van weigeren naar verwijderen
Wanneer iemand wordt gevraagd te vertrekken, is dat niet vrijblijvend. Als dat verzoek niet wordt geaccepteerd, stopt het werk van de beveiliger niet.
Het begint wel altijd met aanspreken. Het moet duidelijk worden gemaakt dat iemand niet naar binnen mag of de locatie moet verlaten. Die boodschap moet helder, begrijpelijk en ondubbelzinnig zijn. Daarbij moet duidelijk zijn dat het optreden namens degene met het beschikkingsrecht gebeurt. Een reden geven is niet verplicht, maar vaak wel verstandig.
Het idee dat een beveiliger altijd twee keer moet vorderen om te vertrekken, is geen rechtsregel. Het begrip vorderen hoort in het recht bij functies met publiek gezag, zoals politie en boa’s. Het niet-opvolgen van deze vorderingen kan strafrechtelijke gevolgen hebben. Een beveiliger vordert niet in die zin, maar maakt namens de rechthebbende op de locatie kenbaar dat iemand moet vertrekken. Het idee van “twee keer vorderen” komt vooral voort uit de opleidingspraktijk en is bedoeld als zorgvuldigheidsnorm, niet als juridische verplichting.
Geeft iemand geen gehoor aan een toegangsweigering en probeert diegene toch binnen te gaan, of vertrekt iemand niet na een duidelijk verzoek daartoe, dan mag een beveiliger overgaan tot ‘begeleiden’ richting de uitgang. Begeleiden betekent in dit geval dat de beveiliger de beweging van de bezoeker stuurt. In de praktijk kan de beveiliger:
voor iemand plaatsnemen om de toegang te versperren of het bewegen in een ongewenste richting te belemmeren;
aanwijzingen geven over de gewenste looprichting;
met houding en positie de beweging sturen.
In dit kader kan licht fysiek contact nodig zijn. Het gaat dan om kort en richtinggevend contact, zoals een hand op de arm, rug of schouder om iemand mee te laten lopen. Het doel blijft steeds hetzelfde: voorkomen dat iemand binnenkomt of zorgen dat iemand vertrekt.
Als begeleiden niet meer volstaat
In de meeste situaties is aanspreken en begeleiden voldoende om iemand buiten te houden of te verwijderen. Soms werkt dat niet. Iemand kan zich actief verzetten, blijven tegenwerken of de situatie laten escaleren. In zulke gevallen kan het noodzakelijk zijn dat een beveiliger verder gaat dan alleen sturend optreden.
Dat betekent niet dat een beveiliger onbeperkt mag handelen, maar wel dat het recht ruimte laat voor verder fysiek optreden wanneer dat nodig is om vertrek te realiseren of om de veiligheid te waarborgen.
Als iemand zich stevig verzet, zich losrukt, anderen in gevaar brengt of blijft proberen binnen te blijven, kan het verdedigbaar zijn om die persoon vast te pakken, een duw te geven of tijdelijk onder controle te brengen. Het doel blijft: iemand uit de ruimte verwijderen of de situatie veilig maken.
Rechters erkennen dat een weigering of verzet niet altijd met woorden of begeleiding kan worden doorbroken. In de rechtspraak is dan ook geoordeeld dat bij de uitoefening van het beroep van beveiliger een zekere mate van fysiek contact met lastige of agressieve bezoekers soms niet te vermijden is. Vastpakken, arm- en rompgrepen en een duw kunnen dan toelaatbaar zijn, zolang dat noodzakelijk is en het optreden stopt zodra het doel is bereikt.
Wat als iemand zich verzet tegen verwijderen
Wanneer een beveiliger iemand rechtmatig de toegang weigert of verwijdert en die persoon zich daartegen verzet, kan sprake zijn van geweld tegen de beveiliger. In zo’n situatie mag een beveiliger zich daartegen verweren om het gevaar te stoppen en de situatie onder controle te krijgen.
Het recht gaat er daarbij van uit dat verzet tegen een rechtmatige handeling geen rechtvaardiging voor geweld kan opleveren. Wie zich met kracht verzet tegen een rechtmatige verwijdering, kan zich dus niet beroepen op noodweer. De beveiliger mag zich in dat geval wel verdedigen tegen dat verzet, zolang het optreden gericht blijft op veiligheid en het beëindigen van de situatie.
Waar de grens ligt
Dat iemand niet meewerkt of zich zelfs verzet, betekent niet dat alles is toegestaan. Juist in deze situaties wordt het optreden kritisch beoordeeld. Daarbij wordt gekeken naar drie samenhangende vragen:
wat was het doel van het handelen? ;
was het optreden noodzakelijk op dat moment of had een lichtere aanpak kunnen volstaan?;
was de manier van optreden in verhouding tot het gedrag van de betrokkene?
Fixeren of vastpakken kan verdedigbaar zijn wanneer iemand actief tegenwerkt of gevaar veroorzaakt. Bij passieve weigering ligt die grens hoger. Ook geldt dat het optreden direct moet worden afgebouwd zodra iemand alsnog meewerkt of het vertrek op een andere manier gerealiseerd kan worden.
Achteraf getoetst
Als fysiek optreden door een beveiliger om een beoordeling vraagt, gebeurt dat achteraf. In eerste instantie door het Openbaar Ministerie en, als het zover komt, door de rechter. Niet op basis van vaste stappen of voorgeschreven handelingen, maar op basis van de omstandigheden. Er wordt daarbij niet alleen gekeken naar wat er is gedaan door de beveiliger, maar ook naar waarom het is gedaan, hoe het is gedaan en hoe lang de situatie heeft geduurd. Dat maakt dit soort situaties juridisch gevoelig. Tegelijk laat de rechtspraak zien dat beveiligers niet machteloos hoeven toe te kijken wanneer iemand zich stevig verzet. Het recht erkent dat verwijderen soms meer vraagt dan woorden en lichte begeleiding, zolang het optreden gericht blijft op veiligheid en vertrek en niet verder gaat dan nodig.
